Nieuws Overheid

Zeeuwse Carnavals Federatie

Nieuws van de overheid

De ZeeCaf communiceert op regelmatige basis met de diverse carnaval vierende gemeenten in zeeland om de wetgeving en regels ten aanzien van het carnaval duidelijk te maken aan carnavalvierend zeeland. Tevens posten we de diverse verordeningen hierop de site voor onze leden. We zijn echter afhankelijk van de informatiestroom die de gemeentes ons toe willen spelen.

Nieuws Aangaande de nieuwe AVG.


Sinds 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Dat betekent dat in de hele Europese Unie (EU) dezelfde privacywetgeving geldt. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geldt niet meer.


Via deze link leest u de nieuwe AVG in een notendop.


Via deze link krijgt u meer info om u voor te bereiden in 10 stappen op de nieuwe AVG


U kunt ook de Website Autoriteit persoonsgegevens bezoeken voor meer informatie.


Over het maken en publiceren van foto's en videos tijdens uw carnaval, kunt u hier een antwoord van Arnoud Engelfriet downloaden op onze vragen.


Via deze link ook informatie over foto en video van Charlottes law.


Onderschat deze nieuwe wetgeving niet, en kijk er als vereniging zeker naar.

Indien er hulp nodig is om bv nieuwe privacy verklaring voor uw Website te maken, kunt u zeker bij ons terecht.


Reglementen Carnavalsoptochten Gemeentes

Reglement carnavalsoptochten gemeente Borsele


1. Voor de optocht is een vergunning op grond van artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Borsele 2011 vereist.

2. Per carnavalswagen dient aan de organisatie, de naam en het adres van de persoon te worden opgegeven die bevoegd is namens de groep of wagen op te treden.

3. De ‘bouwers’ van een praalwagen hebben een kennisgeving gedaan bij het college van B&W. Hiervoor is een kennisgevingformulier beschikbaar gesteld door de gemeente.

4. Het is verboden kleinvee of (huis)dieren, op een niet diervriendelijke wijze, mee te laten doen in de optocht.

5. Het is verboden producten bij zich te hebben en/of te gebruiken, die hinderlijk zijn voor het publiek of andere optochtdeelnemers.

6. Er mag tijdens de optochten geen alcoholhoudende drank op de wagen aanwezig zijn en worden genuttigd. Tevens mag er geen glaswerk en/of glazen flessen op de wagen aanwezig zijn.

7. De organisatie van de optocht moet zorgen voor een opvallende en duidelijke verkeersbegeleiding en -beveiliging. Met betrekking tot verkeersregelend optreden dient gehandeld te worden conform de “Regeling Verkeersregelaars”. U dient zich te wenden tot de teamchef van de politie, die kan aangeven of van politiezijde toezicht aanwezig zal zijn (een vereiste voor inzet van verkeersregelaars).

8. De Wegenverkeerswet 1990 is van toepassing. In verband met de afmetingen dienen de voertuigen te beschikken over een ontheffing van de RDW (079-3458162).

9. Alle wagens dienen een geldige verzekering te hebben voor het rijden op de openbare weg; deze dient voor aanvang van de optocht aan de organiserende vereniging te worden overlegd.

10. Op of bij iedere carnavalswagen van 8 m2 vloeroppervlak of meer dient een goedgekeurd en gebruiksklaar brandblusapparaat met een inhoud van 6 kg of 6 liter aanwezig te zijn.

11. Er dient tenminste één persoon aanwezig te zijn op de carnavalswagen die met de bediening van het brandblusapparaat op de hoogte is.

12. Er dienen op of direct bij de carnavalswagen remkeggen of blokken aanwezig te zijn.

13. De zijkanten in / om / voor de wielen van de rijdende gedeeltes, (dus ook de trekkers) dienen

afgedicht te zijn dan wel voldoende beveiligd.

14. Het is verboden vuurwerk, rookbommen, open vuur, stro en overige brandbare stoffen op de

wagen aanwezig te hebben.

15. Het is toegestaan om een aggregaat met daarnaast maximaal 5 liter reservebrandstof –

opgeslagen in een stalen jerrycan- op de wagen aanwezig te hebben. De reservebrandstof mag

niet in de buurt van het aggregaat of andere hittebronnen worden opgeslagen.

16. De carnavalswagens dienen in goede constructieve staat te zijn (controle disselbevestiging/las-

verbindingen e.d.).

17. De bestuurder van een wagen dient voldoende uitzicht naar voren en opzij te hebben en met de

spiegels voldoende zicht te hebben op het naast en achterliggende weggedeelte. Tijdens de optocht dient er aan beide zijden van de wagen te allen tijde een persoon aanwezig te zijn die er voor zorg draagt dat het publiek niet in aanraking kan komen met de wagen.

18. De vlotte ontruiming van personen van de carnavalswagen moet worden gewaarborgd. Ladders e.d. dienen op de wagen aanwezig te zijn.

19. Het is niet toegestaan om personen op plaatsen op de wagen te hebben vanwaar zij de wagen niet zelfstandig, snel en veilig kunnen verlaten.

20. Een verantwoordelijke van de organiserende carnavalsstichting is belast met het toezicht op de naleving van bovengenoemde regels.

Klik op onderstaande link om de checklist van de gemeente Borsele te downloaden


Gemeente borsele Checklist

1.   Brandveiligheidsvoorschriften voor optochten gemeente Terneuzen



1.1Algemeen

Ten aanzien van de scenario’s ‘brand’ en ‘beknelling of verwonding door de opbouw van constructies’ zijn een aantal maatregelen geformuleerd om de kans op het ontstaan van brand of een ander incident te verkleinen en de gevolgen van een eventuele brand of een ander incident zo veel mogelijk te beperken.


1.2Veiligheidsvoorschriften

1.2.1Er is een route- en tijdschema.

1.2.2Er is een routetekening en een plattegrond waar eventuele andere activiteiten plaatsvinden.

1.2.3Er is een draaiboek/programma met daarin opgenomen een brandveiligheidsplan en een beveiligingsplan.

1.2.4Er is een communicatieplan waarin is opgenomen het gebruik van communicatiemiddelen.


1.3Bereikbaarheid

1.3.1De route en de infrastructuur in de omgeving van de route zijn zodanig dat deze geen

onnodig tijdverlies opleveren voor de opkomsttijd van de hulpdiensten.

1.3.2Er is een plan voor het vrijmaken van aanrijdroutes voor de hulpdiensten en het omleiden

van het overige verkeer.

1.3.3De aanwezige bluswatervoorzieningen (brandkranen) blijven bruikbaar.

1.3.4Tussen de samenstellen van voertuigen en aanhangwagens in een optocht wordt continue

een minimale afstand vrijgehouden van ten minste 10 meter.


1.4Technische voorschriften voor voertuigen en aanhangwagens

1.4.1De mate van brandbaarheid van de toegepaste materialen is zodanig beperkt, dat de kans

op brandvoortplanting voldoende klein is.

Hieraan wordt voldaan indien het onderdeel:

a.    onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064: 1991, inclusief wijzigingsblad A2: 2001;

b.    een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065: 1991,

inclusief wijzigingsblad A1: 1997, of

c.    een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een

onderdeel als bedoeld onder b.

1.4.2Materiaal toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een potentiële ontstekingsbron

(verlichting, energiebron) is zodanig dat, ten gevolge van de in dat materiaal optredende

temperatuur veroorzaakt door de potentiële ontstekingsbron, niet gemakkelijk brand kan

ontstaan.

1.4.3Energievoorzieningen (aggregaten, accu’s, elektra) zijn zodanig opgesteld en worden

zodanig gebruikt dat deze niet gemakkelijk brand kunnen veroorzaken.

1.4.4Er worden uitsluitend goedgekeurde technische installaties toegepast.

1.4.5Voor aanleg van installaties (zoals elektrische installaties) worden erkende installateurs

ingeschakeld.

1.4.6Er wordt uitsluitend goedgekeurde apparatuur (KEMA-keur en dergelijke) toegepast.

1.4.7Er zijn geen brandbare vloeistoffen of brandbare gassen aanwezig anders de brandstof in

gesloten tanks van voertuigen (tractie) en aggregaten (energievoorziening).

1.4.8Er wordt regelmatig gecontroleerd op eventuele brandstoflekkages.

1.4.9De hoeveelheid toegepast of aanwezig brandbaar materiaal wordt zoveel mogelijk beperkt.

1.4.10Er wordt geen open vuur toegepast.

1.4.11Er worden regelmatig controles uitgevoerd gericht op het voorkomen van brandgevaarlijke

situaties.

1.4.12Het verrichten van brandgevaarlijke werkzaamheden vind niet plaats tijdens het evenement.

1.4.13De deelnemers zijn geïnstrueerd over de maatregelen ten aanzien van het voorkomen van

brand.

1.4.14De afmetingen van de voertuigen en aanhangwagens (lengte, breedte, hoogte, draaicirkels)

zijn afgestemd op de beschikbare ruimte op de route.

1.4.15De voertuigen en aanhangwagens hebben geen scherpe uitstekende delen.

1.4.16De wielen van voertuigen en aanhangwagens zijn afgeschermd.


1.4.17De voertuigen en aanhangwagens zijn zodanig stabiel dat zij in voldoende mate eventuele

negatieve invloeden op de stabiliteit kunnen weerstaan (zoals bij krachtige wind, bij lekke

band of bij asbreuk) zodat omvallen of kantelen vrijwel uitgesloten is.

1.4.18Voor personen in voertuigen en aanhangwagens zijn beschermingsmaatregelen getroffen

om te voorkomen dat zij bekneld kunnen raken tussen bewegende onderdelen van de

voertuigen en aanhangwagens.

1.4.19Uitlaatgassen van verbrandingsmotoren (van voertuigen of aggregaten) worden zodanig

afgevoerd dat personen in of op de voertuigen of aanhangwagens niet worden blootgesteld

aan een opeenhoping van uitlaatgassen.


1.5Het tijdig ontruimen.

1.5.1Toegepaste materialen dragen niet in belangrijke mate bij tot de ontwikkeling van brand en

het ontstaan van rook. Hieraan wordt voldaan indien het onderdeel:

a.   onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064: 1991, inclusief wijzigingsblad A2: 2001;

b.   een dikte heeft van ten minste 3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065: 1991,

inclusief wijzigingsblad A1: 1997, of

c.   een dikte heeft van minder dan 3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een

onderdeel als bedoeld onder b.

1.5.2Voertuigen en aanhangwagens zijn zodanig ingericht dat personen die zich daarin bevinden

deze binnen 30 seconden veilig kunnen verlaten. Daarvoor zijn er meerdere mogelijkheden

om het voertuig of de aanhangwagen te verlaten.

1.5.3Vluchtroutes voor personen uit voertuigen en aanhangwagens hebben een minimale

afmeting van 0,6 x 0,8 m (vrije doorgang).

1.5.4De vluchtroutes worden vrijgehouden.

1.5.5Belemmeringen in vluchtroutes, zoals (nood-)luiken, zijn met een eenvoudige handeling

zowel van binnenuit als van buitenaf te openen, zonder dat gebruik gemaakt moet worden

van sleutels of andere losse voorwerpen.

1.5.6Er is een vluchtplan.

1.5.7Personen in voertuigen en aanhangers zijn bekend met de vluchtroutes en hebben het tijdig

ontruimen beoefend.

1.5.8Het publiek bij optochten kan voldoende afstand nemen van een eventuele brand in een

voertuig of een aanhangwagen (vluchtmogelijkheden publiek).


1.6Draagbare blusmiddelen.

1.6.1Er zijn doeltreffende blusmiddelen aanwezig. Doeltreffende blusmiddelen zijn: een blusdeken
             van ten minste 1.2x0.9m, draagbare blustoestellen met een inhoud van ten minste 6 kg 
             blusstof, bijvoorbeeld bluspoeder voor de brandklasse A, B en C of blusschuim.

1.6.2Een draagbaar blustoestel moet:

a.voor iedereen duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn aangebracht;

b.voor direct gebruik gereed zijn;

c.in goede staat van onderhoud verkeren; geen uiterlijke en functie beperkende beschadigingen.

d.zijn voorzien van een geldig Rijkskeurmerk met rangnummer;

e.ten minste eenmaal per twee jaar overeenkomstig de norm NEN 2559:2001 zijn onderhouden en zijn voorzien van een label of sticker waarop de laatste controledatum is vermeld.


1.7Het zo snel mogelijk in veiligheid brengen van personen.

1.7.1Er zijn voldoende geschikte voorzieningen aanwezig om personen die zich nog in het

bedreigde gebied (in of op voertuigen en aanhangers) bevinden in veiligheid te brengen.

1.7.2Organisatoren, begeleiders, stewards en personen in of op voertuigen en aanhangers zijn

op de hoogte van de voorzieningen voor het in veiligheid brengen van personen die zich in

of op voertuigen en aanhangers bevinden.


1.8Het zo snel en adequaat mogelijk voorzien in nazorg.

1.8.1Er zijn voldoende geschikte voorzieningen aanwezig en maatregelen getroffen om

voertuigen en aanhangwagens na een incident uit het parcours te nemen te bergen

1.8.2Organisatoren, begeleiders en stewards zijn op de hoogte van deze voorzieningen en

maatregelen.